Rechtspraak 
In de Ommelanden waren er zo’n 60 boerenrechtbanken waar aanvankelijk vrije boeren bij toerbeurt bestuur en rechtspraak uitoefenden. Sommige rechters hielden een protocol, een register, bij maar verplicht was dat pas in 1750. Van de jurisdictie of rechtstoel Groot Aduard is een aantal protocollen tussen 1600 en 1800 bewaard met gegevens over vonnissen, boedelscheidingen en verkopen.     

  
Rechters van het klooster Aduard

Sinds onheuglijke tijden had het cisterciënzer klooster van Aduard de rechtspraak van Groot Aduard in handen. Het rechtsgebied van de jurisdictie Groot Aduard bestond uit de kerspelen of kerkdorpen De Ham, Fransum, Garnwerd, Oostum, Wierum en Hoogemeeden. Aduard was toen zelf geen kerspel en viel als corpusland, kloosterterrein met wat land er omheen, buiten de jurisdictie. Recht werd gesproken sinds 1252 o.a. volgens de Hunsingoër Keuren. Tijdens de kloosterperiode stond het rechthuis bij de Noorderpoort van het klooster. Eén benoemde persoon, de redger voerde in de kloosterperiode en ook daarna alle functies uit van bestuurder, rechter, aanklager, politie, notaris. We kennen nog enige redgers of rechters uit de kloostertijd bij naam: Herman Elborch van Groningen (1547), Wolter in Den Ham (1560), Julke Brongersma van Den Ham (1575), Abel Grevinge van Noordhorn (1575).

Van provinciaal bestuur tot jonkermacht
Na het opheffen van het klooster viel de rechtspraak net als alle andere kloosterbezit toe aan de provincie Groningen. Sinds 1602 werd rechtgesproken volgens het Ommelander Landrecht. Van 1604 tot 1644 fungeerde Albert Coenders als rechter. Hij was ook verder dorpsheer want hij kocht bijna het hele dorp Aduard van de provincie. Hij was betrokken bij de bouw van het nieuwe Rechthuis aan de Straat vlak bij de Zuiderpoort en nog in de 18e eeuw waren de erfgenamen van Coenders eigenaar van dat huis. Wegens geldgebrek verkocht de provincie in 1659 de bevoegdheid om recht te spreken aan jonkers als Rudolf Willem van In- en Kniphuisen, Johan de Mepsche, Onno Tamminga en Eyso Jargens en nog vijf anderen. Zij spraken niet zelf recht maar benoemden een jurist die vaak in meerdere rechtsgebieden optrad, een soort reizende rechter. Nadat jonker Johan Clant zich in 1676 met zijn vrouw had gevestigd in Aduard, kocht hij tussen 1680 en 1692 alle rechthebbenden uit en werd zo de enige rechter.

Honderd jaar Lewe
In 1700 kwam er weer een wisseling want Clant ruilde al zijn bezit met zijn neef Evert Joost Lewe I die voortaan de rechtspraak in Groot Aduard in handen had. Deze liet ook anderen het juridische werk doen zoals dr. Adriani, Eilart Berents en dr. Frans Guichart. Evert Joost Lewe I liet zijn bezit en bevoegdheden na aan zijn zoon Evert Joost Lewe II en die weer aan zijn zoon Evert Joost Lewe III die overigens niet in staat was om zijn bevoegdheden uit te oefenen. In de Franse tijd vervielen de heerlijke rechten zoals de rechtspraak en werden volksrechters benoemd. In 1799 kwam het Huis te Aduard in bezit van een zijtak, Evert Joost Lewe III. Bij de totale reorganisatie van de Nederlandse rechtspraak in 1803 verdween de rechtspraak uit Aduard en werd overgenomen door het kantongerecht in Zuidhorn. Het bestuur van de gemeente Aduard vond voortaan onderdak in het Rechthuis.  

 

Grondgebied van de rechtbank van Aduard

Zegel van Evert Joost Lewe, heer van Aduard

Dr. Theodorus Adriani, rechter van Aduard ca. 1760