Het cisterciënzer klooster
In 1192 werd net als overal in Nederland ook in Aduard een klooster gesticht, een afgezonderde plaats waar mannen en vrouwen hun leven helemaal aan God konden wijden. Het mannenklooster van de cisterciënzer orde, Sint Bernardus, heeft tot 1594 bestaan. De omtrek is nog aan enkele grachten te herkennen in het huidige dorp en gelukkig is er ook nog één gebouw, de ziekenzaal, uit die tijd bewaard gebleven. Onder de oppervlakte is het sluimerend bodemarchief nog aanwezig waarvan af en toe wat werd teruggevonden. De abtenkroniek is er ook nog met veel informatie over gebouwen en personen, over voor- en tegenslag. En er is veel literatuur verschenen over dit roemruchte klooster. Maar bovenal leeft de geschiedenis bij de Aduarders zelf.

Boerenelite 
In 1192 waren de omstandigheden in Aduard rijp voor het stichten van een klooster dat vanuit het cisterciënzer klooster Klaarkamp in Friesland tot stand kwam. Het land was in cultuur gebracht en er was er een welvarende boerenelite. Deze was in staat om met schenkingen een klooster tot stand te brengen dat voldoende middelen had om op eigen benen te kunnen staan, onafhankelijk en zelfverzorgend. Onder de tweede abt van Aduard begon de bloei. Het aantal priestermonniken die zich toelegde op de gebeden, en conversen of lekenbroeders, die handenarbeid verrichtten, groeide. Naast religieuze motieven speelde ook mee dat het klooster voedsel, kleding en onderdak bood. Na circa 1240 had het klooster rond de grote kerk kloostergangen, een slaapzaal, een kapittelzaal, een keuken, een schrijfzaal en een ziekenzaal. Het kloosterterrein kreeg in de 14e eeuw een eigen haventje, met een sluis als bescherming tegen hoog water.

Grondbezit en handel 
De rijkdom van Klooster Aduard was enorm en het klooster groeide uit tot een machtsfactor van betekenis. Het klooster bezat zo’n 6.000 hectare grond. Ongeveer 300 hectare was corpusland, kloosterland gelegen direct rondom het klooster en in gebruik bij het klooster zelf. Het klooster beschikte over meerdere verder weg gelegen voorwerken, bedrijven als een boerderij, stadshuis in Groningen, veengraverij, houtwinning of steenbakkerij, meestal geëxploiteerd door lekenbroeders. Voorbeelden zijn de boerenbedrijven Aduarder voorwerk en Fransumer voorwerk. Bij Bedum lag de Roodeschool, een opleiding voor aankomende monniken en priesters.

Handel en neergang
Aduard deed ook in de handel van zich spreken. De overschotten van de productie op het land en in de werkplaatsen werden verkocht. Het klooster maakte gebruik van goedkope arbeidskrachten en belastingvrijstelling en vormde zo een geduchte concurrent voor de reguliere handel. Daartoe rees verzet maar ook tegen de luxueuze levenswijze met visvijvers, een doolhof en een wandelpark evenals tegen het lezen van dodenmissen en het verlenen van aflaten. In de loop der jaren was de regel van soberheid verdwenen en de kloostertucht was verslapt. De reformatie van Maarten Luther (1517) had ook gevolgen voor de kloosters. Begin 16e eeuw zette ook de neergang van het Aduarder klooster in. Er traden steeds minder kloosterlingen in en uiteindelijk waren er nog geen twintig over.

Het einde
De geuzen staken in 1580 het klooster in brand waarna de laatste monniken vluchtten naar hun huis in de stad Groningen. In 1594 maakte de verovering van de stad Groningen een eind aan het Aduarder klooster. De kloostergoederen werden geconfisqueerd en kwamen in bezit van de provincie Groningen die de opbrengsten voor vrome doelen aanwendde maar uiteindelijk alles verkocht. Het uitgestrekte kloostercomplex werd gesloopt. De ziekenzaal werd school en kerk.

 

Koormonniken (l) en werkmonniken (r)

Het klooster in 1572

Reconstructie van de gesloopte kloosterkerk

Wilhelmus Emmen, de laatste abt